De vink

Wetenschappelijke naam: Fringilla coelebs

Bijnamen: boekvink, schildvink

De naam boekvink is van “beukenvink” vanwege zijn voorliefde voor beukennootjes. Schildvink is vanwege het witte vleugelschild waarmee de mannetjes imponeren.

 

De naam “vink” is een klanknabootsing en verwijst vermoedelijk naar de veelgehoorde contact- en alarmroep “Pienk”.

De wetenschappelijke naam “coelebs” betekent ongehuwd of ook wel tijdelijk ongehuwd. Dit vindt zijn oorzaak in de tijd dat Linnaeus de vink zijn naam gaf. In Zweden, waar Linnaeus woonde trekken vinken in het najaar weg. Men zag dat voornamelijk de vrouwtjes wegtrokken en dus volgens hem tijdelijk ongehuwd waren. 

De vink is een van de vogelsoorten die voor een beginnend vogelaar het gemakkelijkst zijn te leren. De soort is het hele jaar in ons land aanwezig en heeft een zang die redelijk goed van anders soorten te onderscheiden is. Ook laat de vink zich gemakkelijk bekijken, bijvoorbeeld als het mannetje op een zangpost zit.

In het najaar komen er tijdens de vogeltrek grote groepen vinken door ons land, afkomstig uit o.a. Scandinavië. De vinken die in ons gebied broeden blijven hier ook in de winter.

 

Het leefgebied van de vink bestaat uit halfopen cultuurlandschap met middelhoge bomen in loof-, gemengde en naaldbossen, parklandschap en in steden in parken, tuinen en lanen. In streken met weinig oude bomen treffen we ook weinig vinken.

De soort komt voor van Noord-West Afrika tot aan 70°NB en heeft in dat gebied 18 ondersoorten. De ondersoorten hebben verschillen in verenkleed en zang. In ons gebied hebben wij vooral te maken met de nominaat Fringalla coelebs, de gewone vink dus.

De vink is ongeveer zo groot als een mus.

De verenkleden van het mannetje en vrouwtje vink verschillen behoorlijk. Bovenaan deze pagina staat een foto van een man vink. Het vrouwtje kan door haar onopvallende verenkleed worden verward met een vrouwtjes huismus. Maar let voor het verschil op de twee witte vleugelstrepen bij de vink en de zwart gestreepte rug (mantel) bij de huismus. Ook heeft het vrouwtje vink een lichte vlek op het achterhoofd, die een vrouwtje huismus niet heeft. 

 

Huismus vrouwtje

Vink vrouwtje

Vinken hebben een stevige kegelvormige snavel. De bijnaam “boekvink” komt van beukenvink en verwijst naar hun voorliefde voor beukennootjes. Maar ze eten in het broedseizoen bijna uitsluitend insecten en de jongen worden met insecten gevoerd. Ook knabbelen ze graag aan boomtoppen. Over het algemeen geldt dat vogels met een dikke snavel beter zijn toegerust voor het eten van zaden en dat vogels met een dunne snavel meestal insecteneters zijn. De ultieme snavel voor het kraken van keiharde pitten is die van de appelvink, familie van de gewone vink (zie de foto hieronder). Deze snavel is erg groot en sterk. De gewone vink zit een beetje tussen de appelvink en insecteneters.

 

De mannetjes zijn in het adulte zomerkleed herkenbaar aan een paarse pet, een oranje borst en roestbruine rug. Op de vleugel vallen twee lichte banen op.  Het vrouwtje is onopvallend, maar heeft ook lichte vleugelbanen, waarmee ze van de eerdergenoemde vrouwtjes huismus kan worden onderscheiden. In de winter zijn vinken veel minder uitbundig gekleurd.

snavel van man vink

snavel van man huismus

snavel van appelvink

snavel van vrouw huismus

snavel van vrouw huismus

Het mannetje zal zijn territorium fel verdedigen en duldt geen andere vinken dan zijn eigen vrouwtje. Vaak worden echte zangduels tussen naburige mannetjes uitgevochten, met zang en tegenzang, waarbij de mannen ook wel met de witte schoudervlekken dreigen. De zang wordt ook wel de “vinkenslag” genoemd. Er zitten verschillen in deze zang. Er zijn betere en mindere zangers. Vroeger werden daarin wedstrijden gehouden met gekooide vinken. Die mochten elkaar dan niet zien omdat ze dan beter gingen zingen. Soms werden ze daarom zelfs blind gemaakt.

Alleen het mannetje zingt. Het liedje bestaat uit een reeks afdalende tonen met een slag er in en duurt ongeveer 5 seconden. Het liedje wordt soms wel 10 keer per minuut herhaald.

In het begin van het voorjaar kan je een vink gemakkelijk aan de zang herkennen. Later in het broedseizoen kan je in de war worden gebracht door de zang van de gekraagde roodstaart. Echter altijd geldt dat je niet alleen op het geluid moet af gaan, maar altijd een kijker bij je moet hebben en de vogel daarmee moet opzoeken. 

Zang van man vink

Zang van gekraagde roodstaart

Hiernaast zie je een afbeelding van het nest, gemaakt van gras en mos. Het is goed verborgen in een struik.

Vinken kunnen broeden van medio maart tot midden juli en kunnen tot twee legsels grootbrengen. 

Eitjes van vink

Als je goed oplet kan je veertjes van een vink vinden op bijvoorbeeld een sperwerplukplaats of gewoon langs een bospad. Hiernaast zie je er enkele van.

Je kan voor meer voorbeelden van vinkenveertjes ook kijken op de volgende internetsite.

https://www.featherbase.info/nl/species/fringilla/coelebs

Volgens de gegevens van Sovon (samenwerkende organisaties vogelonderzoek Nederland) zijn de datumgrenzen waartussen je een waarneming van een zingend vinkenmannetje als een broedgeval mag aannemen, 20 april tot en met 20 juli. Natuurlijk kun je vinken al in maart horen zingen. Het kan zeker zijn dat die vinken dan al een territorium bezetten, maar dan zal je in dat territorium binnen die datumgrenzen ook een vink moeten waarnemen die zingt of die op een andere manier laat zien dat er een broedgeval is. 

 

Op de site van Vogelbescherming vindt u nog uitgebreide informatie over de soort, waaronder de verschillende geluiden.

https://www.vogelbescherming.nl/ontdek-vogels/kennis-over-vogels/vogelgids/vogel/vink

Vogelwerkgroep Noordwest-Achterhoek